Uitspraken Hoge Raad


Hoge Raad, 2 september 2016: 100% vergoeding bij tussenpersoon

Aanbieders zoals Dexia en Aegon moeten klanten die het aandelenleasecontract via een tussenpersoon afsloten voor 100% compenseren. Deze tussenpersonen beschikten niet over de vergunning die vooradvisering nodig was. De Hoge Raad rekent het de aanbieders zwaar aan dat zij toestonden dat advisering via deze tussenpersonen zonder vergunning plaatsvond. Het gevolg van de uitspraak van de Hoge Raad is dat gedupeerden hun volledige inleg inclusief wettelijke rente kunnen terugkrijgen en dat hun eventuele restschuld wordt kwijtgescholden.Lees hier de uitspraak.

Hoge Raad, 1 mei 2015: Vergoeding wettelijke rente

Op 1 mei 2015 bepaalde de Hoge Raad dat de wettelijke rente vergoed dient te worden vanaf de datum waarop de inleg is betaald. Dat deze datum belangrijk is, blijkt wel uit het feit dat de schadevergoeding hierdoor tot 50% hoger kan worden. Het standpunt van het gerechtshof Amsterdam, -die altijd oordeelde dat de rente vanaf het einde van het aandelenleasecontract moest worden berekend- is hiermee komen te vervallen. Lees de uitspraak hier.

Hoge Raad, 5 juni 2009: Onaanvaardbaar zware last

De uitspraak van de Hoge Raad in een drietal effectenleasezaken komt, kort samengevat, hierop neer:

Als de financiële positie van de afnemer bij het sluiten van de contract(en) niet voldoende was om aan de betalingsverplichtingen (termijnbetalingen + mogelijke restschuld) te voldoen, had de aanbieder het sluiten van de contract(en) moeten afraden. Door dat niet te doen, is de aanbieder de zorgplicht ten opzichte van de afnemer niet nagekomen en komt een deel van het verlies (inleg + restschuld) voor rekening van de aanbieder. De Hoge Raad geeft daarbij als richtlijn aan dat in dit soort gevallen 60% van de schade (inleg + restschuld) voor rekening van de aanbieder komt en 40% voor rekening van de afnemer.

Als de financiële positie van de afnemer bij het sluiten van de contract(en) zodanig was dat hij het totale mogelijke verlies wel kon opvangen, dan komt tweederde van de restschuld voor rekening van van de aanbieder en blijft eenderde van de restschuld alsmede het verlies van de inleg voor rekening van de afnemer. In veel zaken geldt dat het mogelijke verlies aanzienlijk hoger was dan het werkelijke verlies.

Zie voor de uitspraken:

Uitspraak Dexia-zaak
Uitspraak Aegon-zaak
Uitspraak Levob-zaak